Wijzer antieke klokken

Herkennen

Hoe het slagwerk werkt, en wat er misgaat

Twee of drie werken in een kast, elk met een eigen veer of gewicht.

Gaande werk
houdt de tijd bij en drijft de wijzers aan
Slagwerk
telt het uur en meestal ook het halve uur
Speelwerk
speelt het kwartier, bij carillonklokken
Klank
gong, spiraalgong, klankstaven of bel

Een slagwerkklok bevat twee zelfstandige werken naast elkaar in een kast: een voor de gang en een voor het slaan. Elk heeft een eigen veer of een eigen gewicht en een eigen opwindgat. Bij een carillonklok komt daar een derde werk bij voor het kwartierspel.

Dat verklaart de meest gestelde vraag bij oude klokken: de klok loopt wel maar slaat niet. Dan is het slagwerk vastgelopen of afgelopen, terwijl het gaande werk gewoon doorgaat. Andersom kan ook.

Er zijn twee manieren waarop een klok bijhoudt hoeveel slagen er moeten volgen. Het oudere telradsysteem werkt met een schijf met inkepingen; die telt door en kan uit de pas raken met de wijzers. Het latere rechenslagwerk leest de stand van de wijzers af en loopt daardoor zelden uit de pas.

Uit de pas gelopen slagwerk van het telradtype is meestal zonder gereedschap te verhelpen, door de klok het uur te laten uitslaan en de wijzers bij te zetten.

In stappen

  1. Tel de slagen op het hele uur en vergelijk met de wijzerstand.
  2. Luister of de laatste slag volledig uitklinkt en de hamer terugvalt.
  3. Kijk of de hamer de gong raakt en niet ernaast of ertegenaan blijft liggen.
  4. Controleer of beide veren opgewonden zijn voordat een gebrek wordt vastgesteld.