Wijzer antieke klokken

Naslag

Begrippenlijst

Van anker tot zakafstand: de woorden die bij oude klokken langskomen, kort uitgelegd.

Veertig termen die bij oude klokken langskomen, in gewone taal uitgelegd. De lijst staat op alfabet.

TermBetekenis
Aneroide barometerBarometer die de luchtdruk meet met een luchtledige metalen doos in plaats van met kwik.
AnkerDeel van de echappement dat de tanden van het gangrad afwisselend vasthoudt en loslaat. Zorgt voor de tik.
AchterplaatDe achterste messing plaat van het uurwerk. Draagt meestal het merk, het kalibernummer en de herkomsttekst.
BakelietVroege kunststof, hard en broos, gebruikt voor klokkenkasten van ongeveer 1920 tot 1950.
BlaasbalgLeren balgje in een koekoeksklok dat een houten pijp aanblaast. Verhardt met de jaren en is dan de oorzaak van een hese roep.
CarillonSpeelwerk dat op het kwartier een melodie speelt op klankstaven of buizen.
CraqueleFijn scheurpatroon in email of lak, hoort bij ouderdom.
EchappementHet geheel van anker en gangrad dat de energie in gelijke porties doorgeeft aan de slinger.
FineerDun laagje edelhout op een dragende plaat. Standaard bij oude klokkenkasten.
Gaande werkHet werk dat de tijd bijhoudt en de wijzers aandrijft.
GaffelHet vorkje onderaan het anker waar de slinger doorheen loopt. Bepaalt of de tik gelijkmatig klinkt.
GangradHet laatste rad van het gaande werk, dat door het anker wordt tegengehouden.
GongKlankstaaf of spiraalveer waarop de hamer slaat.
HygrometerInstrument dat de luchtvochtigheid meet, vaak samen met barometer en thermometer in een weerstation.
JaaruurwerkKlok met een torsieslinger en een loopduur van ongeveer 400 dagen, meestal onder een stolp.
KaliberType-aanduiding van een uurwerk, vaak als nummer op de achterplaat.
KlankstavenRechte metalen staven waarop een carillon speelt.
LensDe ronde schijf onderaan de slinger. Hoger betekent sneller lopen, lager langzamer.
LoopduurHoe lang de klok loopt op een volledige opwinding: dertig uur, acht dagen of langer.
MessingLegering van koper en zink. Standaardmateriaal voor uurwerkplaten en raderen.
OpwindasHet vierkante asje waarop de sleutel past.
PenduleFranse benaming voor een tafel- of schoorsteenklok met slinger.
RechenslagwerkSlagwerk dat de wijzerstand afleest en daardoor niet uit de pas kan lopen.
RegulateurWandklok met lange slinger, gebouwd op een nauwkeurige gang.
RevisieVolledige beurt: uurwerk uit elkaar, reinigen, slijtage herstellen, opnieuw oliƫn en afstellen.
SlagwerkHet tweede werk in de kast, dat het uur en meestal ook het halve uur telt.
SlingerveerDunne veerstrook waaraan de slinger hangt. Breekt makkelijk bij transport.
SpeelwerkDerde werk in een carillonklok, dat de melodie aandrijft.
StaartklokFriese wandklok met een lange, zichtbare kast onder de wijzerplaat.
StolpGlazen of plexiglas kap over een jaarklok.
SynchroonmotorElektrische motor die meeloopt met de netfrequentie. Gebruikt in netgevoede klokken uit het midden van de twintigste eeuw.
TelradslagwerkOuder slagwerk dat de slagen aftelt aan een schijf met inkepingen. Kan uit de pas raken met de wijzers.
TorsieslingerSlinger die om zijn as heen en weer draait in plaats van te zwaaien. Kenmerk van de jaarklok.
UurwerkHet complete mechaniek in de kast, zonder wijzerplaat en kast.
VeerhuisTrommel waarin de drijfveer zit opgerold.
WijzerplaatHet blad met de cijfers. Draagt vaak de naam van de verkoper, niet van de maker.
WrijvingspassingKlemverbinding waarmee de uurwijzer op zijn as zit, zodat die verzet kan worden zonder gereedschap.
Zaanse klokNederlands klokmodel met een rijk versierde kap en zijstukken, oorspronkelijk uit de Zaanstreek.
ZakafstandDe afstand die de gewichten van een klok over de volle looptijd zakken.