- Ritme
- acht dagen bij de meeste klokken, dertig uur bij wekkers
- Gereedschap
- de bijbehorende sleutel, geen tang of vervangsleutel die wiebelt
- Grens
- stoppen zodra de veer merkbaar vast komt te zitten
Wind een achtdaagse klok op een vaste dag op, bijvoorbeeld elke zondagochtend. Zo loopt de veer nooit helemaal af en blijft de gang gelijkmatig; een bijna afgelopen veer levert minder kracht en dat is aan de gang te merken.
Gebruik de sleutel die bij de klok hoort. Een te ruime sleutel rondt het vierkant van de opwindas af, en dat is een schade die niet vanzelf overgaat. Houd de kast met de andere hand tegen, zodat de klok niet meedraait.
Draai rustig, en stop zodra de veer merkbaar strak komt te staan. Doorzetten met kracht is de meest voorkomende oorzaak van een gebroken veer.
Bij een gewichtenklok wordt niet gedraaid maar opgetrokken, aan de ketting of met een sleutel op de opwindas. Trek de gewichten niet helemaal tot tegen de kap.
In stappen
- Kies een vaste dag in de week.
- Wind eerst het gaande werk op, daarna het slagwerk.
- Stop bij weerstand, ook als het gevoel zegt dat er nog een slag bij kan.
- Berg de sleutel bij de klok op, bijvoorbeeld in de kast.